Horsten en slenken

Al enkele honderden miljoenen jaren zijn er in de ondergrond van de Peelstreek een aantal breuken aanwezig. Langs deze breuken bewegen delen van de aardkorst op en neer. Deze bewegingen gaan niet geleidelijk, maar schoksgewijs en veroorzaken daarbij aardbevingen, zoals de zware aardbeving van 1992. Door deze bewegingen ontstaan hoger gelegen horsten en lager gelegen slenken.


Horst- en slenkvorming

De horst- en slenkvorming had in het Peelgebied onder meer het gevolg, dat rivieren als de Maas sneller gingen stromen en dalen gingen uitschuren. Dit gebeurde niet constant, maar in bepaalde perioden, waarbij telkens in een bestaand, ouder dal een smaller, dieper dal werd uitgeschuurd. De steile rand van zo'n dal noemen we een terrasrand. Op sommige plaatsen zijn deze terrasranden op de Peelhorst nog zichtbaar, onder andere bij het Molentje in Neerkant en de Snoertsebaan in Liessel. Deze terrasranden hielden als een soort stootbuffer verdere uitbreiding van het hoogveen naar het westen tegen.


Terrasvorming

Waterdichte of hydrologische basis
Op de Peelhorst liggen aardlagen van dezelfde ouderdom veel dichter onder de oppervlakte dan in de aangrenzende slenken. Belangrijk is vooral de ligging van een kleilaag die moeilijk of niet doorlatend is voor water: de waterdichte basis (hydrologische basis). Op de Peelhorst ligt die waterdichte basis tien tot twintig meter onder de oppervlakte, terwijl in de Centrale Slenk diezelfde laag op meer dan 300 meter diepte ligt. Daar kan het grondwater dus gemakkelijk heel diep wegzakken en ook veel gemakkelijker wegstromen als ergens water wordt onttrokken. Op de Peelhorst daarente¬gen blijft het in die bovenste tien tot twintig meter 'hangen'. Het water is er dus ook veel beter 'vast te houden'.

Naar geologie